![]() |
|
| home - over varens - kweken en verzorging | |
| Prikkebeen | |
|
Prikkebeen populariseerde Pteridomania, Wim
de Winter De ongekende varengekte in Engeland in het midden
van de negentiende eeuw is velen welbekend. Dé doorslaggevende factor in het
ontstaan van de pteridomania was de ontdekking dat varens uitstekend | |
| Minder bekend is dat de uitvinder van de Wardian case, de
Londense arts Nathaniel Bagshaw Ward, zijn ontdekking niet deed toen hij
probeerde varens te kweken, maar een vlinder. Lees hier het verhaal van zijn
ontdekking van zijn eigen hand (1): |
![]() Nathaniel Bagshaw Ward (1791 - 1868) |
![]() Doodshoofdvlinder, bovenzijde (Acherontia atropos) - fotografie: Jeff Delonge |
Doordat ik de werken van de onsterfelijke
Linnaeus had leren kennen was de botanische wetenschap sinds mijn jeugd mijn
grootste plezier geweest; en het eerste doel van mijn ambitie was een muur
te bezitten, bedekt met varens en mossen. Om deze wens te verwerkelijken
bouwde ik een soort van rotspartij in mijn achtertuin, waarop ik een
geperforeerde buis plaatste waaruit water op de planten eronder druppelde.
Dit waren Polypodium vulgare, Lomaria spicant, Lastræa
dilatata, Lastræa filix-mas, Athyrium filix-foemina,
Asplenium trichomanes, en enkele andere varens en mossen meegenomen uit
de bossen in de omgeving van Londen, tezamen met sleutelbloemen,
klaverzuring, &c. &c. |
![]() Doodshoofdvlinder, onderzijde (Acherontia atropos) - fotografie: Jeff Delonge |
Omgeven echter door tal van fabrieken en gehuld
in de rook daarvan begonnen mijn planten weldra te kwijnen en gingen
uiteindelijk dood, ondanks al mijn pogingen om ze te behouden. Toen ik mijn
pogingen al in wanhoop al had opgegeven begon ik er wat verder over na te
denken als gevolg van een onbetekenende gebeurtenis in de zomer van 1829. Ik
had de pop van een pijlstaartvlinder begraven in wat vochtige aarde in een
glazen pot, afgesloten met een deksel. Ik bekeek de pot iedere dag, waarbij
me opviel dat het vocht, dat door de warmte van de dag vrijkwam uit de
aarde, condenseerde op het glas en terugkeerde naar vanwaar het gekomen was,
zodat de aarde altijd even vochtig bleef. |
| Ongeveer een week voor de laatste gedaantewisseling van het
insect verschenen een zaailing van een varen en een gras op het oppervlak
van de aarde. Ik was verbijsterd dat van die klasse van planten, die ik jarenlang tevergeefs had proberen te kweken, er zomaar één sponte suâ opkwam onder zulke omstandigheden en ik vroeg mij af wat de noodzakelijke voorwaarden waren voor zijn groei. Het antwoord hierop was ten eerste een atmosfeer vrij van roet (2) (dit was ik mij welbewust van eerdere ervaringen); ten tweede licht; ten derde warmte; ten vierde vocht en tenslotte uitwisseling van lucht. |
| Het was tamelijk evident dat de planten in de pot net zo
goed licht en warmte konden verkrijgen als erbuiten, en dat het deksel
tegelijkertijd het roet buiten en het vocht binnen hield. De enig
overblijvende voorwaarde die vervuld moest worden was de gasuitwisseling:
hoe moest die gerealiseerd worden? Aanvankelijk zag ik de wet aangaande de
diffusie van gassen over het hoofd en beweerde ik dat de circulatie het
gevolg was van temperatuurvariaties die leidden tot afwisselende uitzetting
en krimp van de lucht rond de planten; wat weliswaar het geval is, maar een
uiterst beperkt effect heeft. Toen aldus aan alle voorwaarden voor de groei van mijn kleine plantje was voldaan was het tijd om de proef op de som te nemen. Ik plaatste de pot buiten bij het raam van mijn studeerkamer - een kamer op het noorden - en tot mijn grote genoegen bleven de planten goed groeien. Het bleken Lastræa filix-mas en Poa annua te zijn. Ze vroegen geen aandacht, dezelfde circulatie van water duurde voort en ze bleven hier gedurende bijna vier jaar. De Poa bloeide eenmaal en de varen produceerde elk jaar drie of vier bladeren. Na deze tijd gingen zij per ongeluk verloren doordat het deksel doorroeste tijdens mijn afwezigheid en regenwater in de pot kon komen. Echter lang voordien verwierf ik een paar planten Hymenophyllumen Trichomanes om te experimenteren en er is misschien geen beter manier om de resultaten van mijn onderzoekingen te illustreren dan er een paar te selecteren. Te beginnen met - 1. Trichomanes speciosum. Deze, de mooiste van onze cellulaire planten (3), is de meest onhandelbare onder de gangbare behandelingsmethodes. Loddiges (4), die hem verscheidene malen heeft gehad, kon hem nooit in leven houden. Baron Fischer, hoofdopzichter van de botanische instituten van de Keizer van Rusland, nam zijn hoed af toen hij mijn plant zag groeien, maakte er een diepe buiging voor en zei: ’U bent mij de meester geweest alle dagen van mijn leven’. |
| Vanaf dat moment wonnen de Wardian cases snel aan populariteit. Aanvankelijk niet eens in de eerste plaats als plantenterraria binnenshuis, maar om planten in leven te houden tijdens de barre omstandigheden gedurende de maandenlange zeereizen van, naar en tussen de koloniën. |
![]() Wardian case |
![]() Wardian cases |
De botanici rond Kew Gardens waren de eersten die deze
mogelijkheid inzagen en benutten. Maar ook bij het doorbreken van
landbouwmonopolies of simpelweg het vergroten van het productie-areaal van
commerciële gewassen hebben de glazen dozen een cruciale rol gespeeld:
20.000 theeplanten werden verscheept van Shanghai naar Assam in India;
stekken van de Kinaboom (kinine) werden getransporteerd vanuit de westelijke
hellingen van de Ecuadoraanse Andes naar plantages in Oost-Indië; de
Pará-rubberboom, die de basis vormde van de Britse rubberindustrie, was via
Kew vanuit Brazilië naar Maleisië en Sir-Lanka gebracht (dit schijnt nog een
belangrijke factor geweest te zijn in het geallieerde succes in de Tweede
wereldoorlog). |
| Tot aan de uitvinding van de plastic zak heeft de Wardian
case nooit aan belang ingeboet. Zo gemakkelijk als het vandaag de dag is om
varens te kweken in een ’bakje-van de-Chinees’, is het maar moeilijk voor te
stellen dat het ooit een schier onmogelijke opgave was... |
| Noten • Bron: Ward, N.B, 1842. On the Growth of Plants in Closely Glazed Cases. London: J. Van Voorst. (1) • Voor de plantenliefhebbers in het geïndustrialiseerde Londen aan het begin van de 19e eeuw was de zure neerslag een serieus - en ten volle onderkend - probleem. Er werden levendige disputen onderhouden of de plantschade het gevolg was van de zwaveldioxide in de lucht dan wel van het zwavelzure karakter van roetdeeltjes. (2) • Hier in de betekenis van ’lagere planten’. (3) • George Loddiges (1784 - 1846): Botanisch tekenaar in Londen. (4) |
|
|